Studie suggereert dat bepaalde bloedmerkers gekoppeld zijn aan verschillende stadia van ALS

16-04-2019

Blood markers

Verschillen qua bloedparameters, zoals de totale eiwitniveaus, zijn geassocieerd met verschillende stadia van amyotrofische laterale sclerose (ALS). Dat wil zeggen dat ze waardevolle biomerkers zouden kunnen worden om het ziekteverloop in de klinische praktijk te traceren, zo suggereert een studie.

De studie is getiteld 'Clinical disease stage related to changes of serological factors in amyotrophic lateral sclerosis' ('Klinisch ziektestadium gekoppeld aan veranderingen van serologische factoren bij amyotrofische laterale sclerose'), en verscheen in het tijdschrift Amyotrophic Lateral Sclerosis and Frontotemporal Degeneration.

Werken met bloed is routine in de zorgverstrekking en ALS is geen uitzondering. Eerdere studies hebben aangetoond dat er in de niveaus van diverse moleculen in het bloed verschillen bestaan tussen mensen met ALS en mensen zonder de ziekte, maar deze studies hebben over het algemeen niet bestudeerd of er verschillen bestonden tussen ALS-patiënten onderling in verschillende stadia van de ziekte.

Om deze leemte op te vullen, rekruteerden onderzoekers 571 ALS-patiënten in hun hospitaal in China, alsook 571 individuen die dienstdeden als controlegevallen en die overeenstemden qua onder andere leeftijd en geslacht. Iets meer dan de helft van de patiënten was van het mannelijk geslacht, en iets minder dan een kwart had de bulbaire vorm, wat net iets lager is dan wat we zouden verwachten.

De onderzoekers verdeelden de ALS-patiënten in stadia met behulp van het stadiumsysteem van King’s College. Dat brengt patiënten onder in vier stadia, gebaseerd op de ernst van de ziekte, van stadium 1 (het minst ernstige, met de aanvang van de symptomen) tot stadium 4 (het meest ernstige, waarbij interventies nodig zijn zoals ventilatie). In de gerekruteerde groep waren er 106 stadium-1-patiënten, 240 patiënten in stadium 2, 131 patiënten in stadium 3 en 37 in stadium 4.

De onderzoekers vergeleken de niveaus van diverse moleculen in het bloed. Ze maakten de vergelijking tussen ALS-patiënten en controlegevallen en tussen de patiënten onderling in verschillende stadia van ALS.

Het meest opmerkelijke resultaat was dat urinezuur (een antioxidant), albumine (een door de lever aangemaakt eiwit), en de totale eiwitniveaus lager waren bij ALS-patiënten. Bovendien correleerden lagere niveaus van deze merkers met hogere stadia; dat wil zeggen dat ALS-patiënten in stadium 4 gemiddeld de laagste niveaus van deze drie merkers hadden.

Ook andere bloedinhoud, zoals cholesterol, vertoonde verschillen tussen ALS-patiënten en controlegevallen. Geen van deze merkers correleerde echter met een ziektestadium — er was in ieder geval geen statistisch significante associatie. Dit betekent dat, hoewel er bepaalde trends werden vastgesteld, het voor de onderzoekers onmogelijk was uit te sluiten dat deze trends mogelijk slechts toevallig waren.

Bovendien leken sommige van de gedetecteerde correlaties enkel van toepassing te zijn op bepaalde groepen van patiënten. Terwijl lagere totale eiwitniveaus bijvoorbeeld correleerden met een hoger ziektestadium bij alle patiënten, bleef deze correlatie geldig voor mannen, maar niet voor vrouwen, toen de onderzoekers de ALS-patiënten volgens geslacht indeelden.

De studie is een stap voorwaarts in de richting van het gebruik van bloedtests om de prognoses van ALS-patiënten preciezer te voorspellen. Toekomstige studies zouden een duidelijker beeld kunnen opleveren van de precieze manier waarop deze verschillen kunnen worden gebruikt in de kliniek, en uitgebreidere studies met meer patiënten zouden meer duidelijkheid kunnen scheppen over de vraag of trends die statistisch niet significant waren bij deze studie wijzen op feitelijke veranderingen of louter op toeval.

Bovendien suggereren de meetbare fysiologische veranderingen die correleren met het indelen in stadia dat het stadiumsysteem van King’s College — dat nog geen tien jaar bestaat — de facto veranderingen weerspiegelt van wat er gaande is in het lichaam die aan de basis zouden kunnen liggen van het ziekteverloop, en niet enkel de symptomen en tekenen die resultaten zijn.

"De associatie van deze serologische waarden met het ziektestadium suggereert dat het stadiumsysteem kan worden gebruikt om de ziektelast en het ziekteverloop bij ALS te evalueren, en deze op metaboliet gebaseerde kandidaten zouden gekoppeld zijn aan de pathogenese [ziekteverloop] van ALS en mogelijk klinisch nut kunnen hebben in de klinische praktijk", zo besluiten de onderzoekers.

 

Vertaling: Bart De Becker

Bron: ALS News Today

Share